Champagne in de 17e eeuw: van arme boerenwijn tot koninklijk icoon
Blog
02 maart 2026

Wist je dat de grootste aanplant van Pinot Noir in Frankrijk, niet in Bourgogne staat, maar in Champagne?

Vandaag associëren we Champagne vooral met elegante mousserende wijnen en prestigieuze huizen. Maar dat is niet altijd zo geweest. In de 17e eeuw had de regio een heel ander imago én een heel andere wijnstijl.

Champagne was ooit een wijnstreek, bekend voor zijn rode wijn. 

Tot ongeveer 1700 stond de Champagnestreek vooral bekend om lichte rode wijnen. Deze wijnen waren zelfs een serieuze rivaal van Bourgogne aan het Franse hof.

De dominante druif was toen, net als nu, Pinot Noir. Dat had meerdere redenen:

            •          het koele noordelijke klimaat

            •          de kalk- en kleibodems rond Reims

            •          de zuid-gerichte hellingen van de Montagne de Reims

Deze omstandigheden zijn ideaal voor Pinot Noir en minder geschikt voor Chardonnay, dat meer warmte nodig heeft, om goed te rijpen. Daarom werd hier eeuwenlang vooral Pinot aangeplant.

Toen later de mousserende wijnstijl ontstond, bleef die bestaande aanplant, grotendeels behouden. Dat verklaart, waarom Pinot Noir, vandaag nog steeds de grootste druif van Champagne is (ongeveer 38% van de wijngaarden).

Champagneboeren stonden destijds laag op de sociale ladder. Tegenwoordig hebben champagnehuizen een enorme reputatie en prestige. Maar vroeger was het tegenovergestelde waar.

Als je in de 17e of de vroege 18e eeuw champagneboer was, bevond je je aan de onderkant van de maatschappij.

Het werk was:

            •          extreem zwaar en handmatig

            •          slecht betaald

            •          sterk afhankelijk van weer en oogst

            •          economisch onzeker

Veel wijn werd bovendien verkocht aan handelaren uit steden zoals Reims en Épernay, waardoor boeren weinig verdienden aan hun product.

Champagne-Wijncursus-Wijnstudio

“Duivels wijn”: exploderende flessen

Champagne stond in die tijd ook bekend als vin du diable oftewel duivels wijn. 
De reden: exploderende flessen. 
Door de wijnmaaktechnieken van toen, was de gisting vaak nog niet volledig voltooid, wanneer de wijn werd gebotteld. Zodra de temperatuur in het voorjaar weer steeg, kwam de gisting opnieuw op gang. De druk liep op en flessen barstten.

Dit was niet alleen kostbaar, maar ook gevaarlijk: kelders konden kettingreacties van ontploffingen veroorzaken en arbeiders raakten gewond. Pas in de 18e eeuw verbeterden fleskwaliteit en kurktechniek voldoende, om dit beter te beheersen.

De smaak van vroege Champagne

De eerste mousserende Champagnes smaakten totaal anders dan vandaag. Ze waren vaak:

            •          zeer zuur

            •          dun

            •          onrijp

            •          zonder dosage (toegevoegde suiker)

Om de scherpe smaak te verzachten werd soms suiker toegevoegd. Volgens een populaire Parijse traditie ontstond zo ook een voorloper van de Kir Royal: witte (mousserende) wijn gemengd met crème de cassis.

(Historisch gezien werd Kir pas later bekend met Bourgogne Aligoté, maar de gewoonte om wijn met cassis te mengen bestond al eerder.)

Het eerste Champagnehuis

Het oudste nog bestaande Champagnehuis is Ruinart, opgericht in 1729 in Reims.

Dit markeert een belangrijke overgang: Champagne begon zich te ontwikkelen van boerenproduct tot handelsproduct met merkidentiteit.

In de decennia daarna, ontstonden ook huizen als Moët (1743) en Veuve Clicquot (1772), die de reputatie van Champagne wereldwijd zouden vestigen.

Van rode wijn tot mousserende luxe

De geschiedenis van Champagne laat mooi zien hoe wijnregio’s kunnen transformeren:

            •          17e eeuw: lichte rode wijnstreek

            •          18e eeuw: experimentele mousserende wijn

            •          19e eeuw: luxedrank van Europa

            •          20e–21e eeuw: wereldwijd prestige-icoon

Maar onder die luxe ligt nog steeds dezelfde basis als 300 jaar geleden: kalkbodems, koel klimaat en vooral, Pinot Noir.